Geweld in therapie. Alleen al de titel van dit themanummer roept vragen op.
Bij geweld denken we spontaan aan mishandeling, seksueel misbruik, oorlog, partnergeweld of moord. Dat zijn zonder twijfel ernstige en ingrijpende vormen van geweld. In ons werk als psychotherapeuten begeleiden we mensen die slachtoffer werden van geweld of mensen die zelf geweld hebben gepleegd. We kunnen in de therapieruimte ook geconfronteerd worden met agressie, macht, onmacht, angst, controle en grensoverschrijding.
Maar het begrip ‘geweld’ is veel minder eenduidig dan op het eerste gezicht lijkt. Geweld kan expliciet aanwezig zijn, maar ook verborgen blijven. Het kan zich afspelen tussen mensen binnen relaties en gezinnen, maar ook in organisaties of maatschappelijke systemen. Het kan fysiek zijn, psychisch, relationeel of structureel. Soms wordt het onmiddellijk herkend, soms jarenlang niet benoemd of zelfs gelegitimeerd.
Wat verstaan we dus precies onder geweld? Vanaf wanneer spreken we van geweld en wanneer van agressie, bedreiging, macht, dwang of dominantie? En wie bepaalt wat we als geweld beschouwen? Is geweld iets wat objectief vaststaat, of wordt het bepaald door juridische kaders, door maatschappelijke normen, door degene die het ondergaat of eventueel door de hulpverlener die er betekenis aan geeft?
En kan het zijn dat wij als hulpverleners zelf, meestal zonder die intentie te hebben, soms ook geweld uitoefenen? Bijvoorbeeld wanneer we onvoldoende afstemmen op de unieke beleving van een cliënt, wanneer diagnostische etiketten het contact met de persoon in de weg komen staan, wanneer institutionele kaders belangrijker worden dan de therapeutische relatie, of wanneer de zorg die iemand nodig heeft eenvoudigweg niet beschikbaar is.
Dat deze vragen leven binnen ons vakgebied, bleek uit de grote respons op onze oproep voor bijdragen. We ontvingen opvallend veel voorstellen, afkomstig uit uiteenlopende werkvelden en theoretische achtergronden. Het bevestigde ons vermoeden dat geweld een thema is waar veel collega’s in hun dagelijkse praktijk mee worstelen en waarover zij ervaringen, twijfels en inzichten willen delen. Het resultaat is een veelzijdig nummer waarin auteurs elk vanuit hun eigen klinische praktijk of reflectie verschillende gedaanten van geweld zichtbaar maken.
Julie Pecceu opent het nummer met een praktijkbijdrage vanuit de forensische context, waarin zij een nauwelijks besproken vraag centraal stelt: mogen mensen die een levensdelict hebben gepleegd rouwen om de persoon voor wiens dood ze zelf verantwoordelijk zijn? En hoe kan dit een plaats krijgen in hun therapeutisch proces? Haar bijdrage laat zien hoe schuld, verlies, identiteit en bestaansrecht op een complexe manier met elkaar verweven raken.
Sarah Van den Bosch brengt ons vervolgens naar de crisishulpverlening bij intrafamiliaal geweld. Zij beschrijft hoe je als therapeut voortdurend moet balanceren tussen empathisch nabij blijven en tegelijk verantwoordelijkheid nemen voor veiligheid, risico-inschatting en begrenzing.
In de reflectiebijdragen verschuift de aandacht naar minder zichtbare vormen van geweld. Pieter de Roij introduceert het begrip microgeweld en laat zien hoe goedbedoelde therapeutische interventies soms onbedoeld het proces van cliënten kunnen verstoren. Theo Maagdenberg richt vervolgens de blik op de hulpverlening zelf en onderzoekt hoe bureaucratische en institutionele processen een vorm van geweld worden wanneer zij de professionele ruimte van hulpverleners en de autonomie van cliënten onder druk zetten.
Het interview van Renate Geuzinge met Marion Verkade vormt een mooie brug tussen verschillende perspectieven. Vanuit haar jarenlange ervaring in de forensische psychiatrie pleit zij ervoor om ook bij mensen die ernstig geweld pleegden nieuwsgierig te blijven naar hun ontwikkelingsgeschiedenis. Niet om verantwoordelijkheid weg te nemen, maar
om beter te begrijpen hoe geweld ontstaat en hoe verandering mogelijk kan worden.
Wies Verheul belicht in detail een kwalitatief onderzoek dat twee therapieën waarin het huiselijk geweld stopte, vergeleek met twee therapieën waarin het geweld aanhield, om na te gaan welke therapeutische processen met verandering samenhangen. Het onderzoek laat zien hoe subtiele verschillen in therapeutische afstemming kunnen bijdragen aan het al dan niet doorbreken van geweldspatronen.
Alhoewel hij het woord ‘geweld’ niet gebruikt sluit Joop Verschuur in zijn column naadloos aan bij de reflectie van Theo Maagdenberg over hoe de ggz als institutie soms cliënten – en ons als hulpverleners – geweld kan aandoen. In zijn beeld van cliënten die tussen wal en schip raken, toont hij hoe ook een zorgsysteem beschadigend kan zijn wanneer
niemand werkelijk verantwoordelijkheid neemt voor de behandeling van mensen met complexe problematiek.
Bij de congresverslagen neemt Luk Peeters ons eerst mee naar het congres van de Nederlandse Vereniging voor Groepsdynamica en Groepspsychotherapie over de grenzen van de groepspsychotherapie. Daarna brengt Marjolein Brusse verslag uit van de eerste studiedag van het Centrum voor Experiëntieel-Existentiële Psychotherapie in Leuven, met als titel ‘Mag ik bestaan?’. We blijven vervolgens nog even in Leuven voor het congres van Reakiro over de begeleiding van mensen met een aanhoudende doodswens bij psychisch lijden, waar Tine Vervoort haar ervaringen beschrijft. Hoewel deze studiedagen niet gelinkt waren aan ons thema ‘geweld’, keren in deze verslagen gelijkaardige fundamentele vragen terug over kwetsbaarheid, begrenzing, menselijke waardigheid en therapeutische verantwoordelijkheid.
De boekbesprekingen sluiten dan weer wel expliciet aan bij ons centrale thema. Zo bespreekt Renate Geuzinge een boek over wij-zij-denken en de mechanismen waardoor de ander als het kwaad wordt gezien. Marion Verkade zoomt in op een boek over de manieren waarop verbindingen bij zedendelinquenten verstoord, verbroken of geveinsd kunnen worden. Vervolgens recenseert Selena Klomp een boek over geweld in complexe scheidingen, dat mooi aansluit bij de praktijkbijdrage van Sarah van den Bosch. Afsluitend bespreekt Janita Lanting een boek over gaslighting.
Als we alle bijdragen naast elkaar leggen, valt op dat ze ons niet zozeer uitnodigen om tot één sluitende definitie van geweld te komen, maar eerder om onze gevoeligheid ervoor te vergroten. Om beter te leren zien hoe geweld zich manifesteert, ook wanneer het zich verschuilt achter goede bedoelingen, professionele routines of maatschappelijke vanzelfsprekendheden. Misschien is de belangrijkste conclusie uit dit themanummer het belang om ook de meest ongemakkelijke aspecten van ons werk én van onszelf onder ogen te blijven zien. Want juist dan kan psychotherapie bijdragen aan herstel van wat door geweld beschadigd raakte: veiligheid, verbondenheid en menselijkheid.
Namens de redactie,
Árpi Süle
Hoofdredacteur
Het tijdschrift Persoonsgerichte experiëntiële Psychotherapie is het wetenschappelijke tijdschrift voor professionals in de GGZ in Nederland en Vlaanderen die werken vanuit of affiniteit hebben met het persoonsgerichte (client centered) referentiekader.
Het tijdschrift Persoonsgerichte experiëntiële Psychotherapie verschijnt viermaal per jaar. Voor leden van de Vereniging Persoonsgerichte Experiëntiële Psychotherapie en de Vlaamse Vereniging voor Cliëntgericht-Experiëntiële Psychotherapie en Counseling is het inbegrepen bij het lidmaatschap.
Tarieven: